Het meisje
Dit verhaal gaat over een meisje. Zo’n meisje dat iedereen wel in de buurt heeft wonen. Je weet wel: Met van die goudblonde lokken met onderin van die grote krullen.
Het meisje woonde aan de rand van een heel groot en spannend bos. Voor het bos lag een sloot waar zij niet overheen kon. Haar ouders hadden gezegd: “Ooit komt de dag dat we daar een brug voor je maken en dan mag jij dat bos in. En weet je: Wij hebben alvast een mooi pad voor je aangelegd dat voert langs alle mooie plekjes van dat bos.”
Op een dag was daar ineens de brug. Het meisje bedacht zich geen moment en rende de brug over. En inderdaad: Daar was het pad, mooi aangelegd door haar ouders.
Het meisje volgde het pad langs de mooiste bomen, de meest weelderige struiken, wilde rozen en heerlijk bramen. Ineens werd haar aandacht getrokken door een heerlijke geur. Ze vond een kleine open plaats vol geurende lavendel. En daarachter….. Het meisje liep de hele dag en ontdekte nog meer mooie plaatsen in het bos.
Het werd schemerig en ineens had het meisje door dat ze niet meer op het pad liep. Het werd te donker om het pad te gaan zoeken. Ze besloot in het bos te een slaapplek te vinden. Die vond ze al snel in een uitgeholde, maanvormige boomstronk die volledig met mos was bekleed. Ze sliep de hele nacht.
De volgende ochtend werd ze gewekt door de warme zonnestralen die op haar gezicht prikten. Ze voelde een fijn briesje door haar haren gaan. Ze hoorde het ruisen van de blaadjes boven in de boom. Ze klonken zo gelukkig, vrolijk en blij!
“Blaadjes, blaadjes, riep ze naar boven, jullie wapperen in de wind, maken prachtig geruis. Jullie klinken blij en gelukkig. Hoe DOEN jullie dat? Want dat wil ik ook!” De blaadjes antwoordden: “Daar DOEN wij niets aan. Wij zijn blaadjes en zijn voortgekomen uit deze boom die ons van voedsel voorziet. En je hebt gelijk: Wij zijn blij en gelukkig. Maar daar DOEN we niks voor. We zijn blaadjes, niet meer, niets minder.”
Het meisje keek naar de enorme boom die de blaadjes aan zijn takken droeg en ze voorzag van voeding. “Boom, boom: Hoe DOE jij dat? Hoe zorg jij ervoor dat deze blaadjes aan jou kunnen hangen en gelukkig kunnen zijn?Dat moet jou toch ook gelukkig maken? Hoe DOE jij dat want dat zou ik ook zo graag willen!”
“Nou, zei de boom, daar DOE ik niks voor. De blaadjes groeien uit mijn takken en ik voorzie ze van water maar ook dat gaat vanzelf, daar DOE ik niks voor. Ik ben een boom, niets meer, niets minder. Je hebt gelijk, ik ben gelukkig.”
“En, vervolgde de boom, ik kan je misschien wel wat op weg helpen: Mijn wortels groeien als vanzelf naar de plek met het meeste water. Ga daar eens vragen.”
Het meisje keek onderaan de boom en zag inderdaad een hele dikke wortel. Ze volgde de wortel en kwam uit bij een stromende rivier.
“Rivier, rivier, hoe DOE jij dat?? Vertel me: HOE voorzie jij de boom van water zodat de boom de blaadjes kan laten groeien en de blaadjes kunnen wapperen van geluk? Sterker nog: Alle gelukkige blaadjes in dit bos hangen aan de bomen die jij van water voorziet. De blaaadjes zijn gelukkig, de bomen zijn gelukkig en jij, jij zal toch ook gelukkig moeten zijn. Vertel me hoe je dat doet want dat wil ik ook.”
De rivier antwoordde vriendelijk: “Lief meisje daar DOE ik niks voor. Ik ben een rivier, niet meer, niets minder. Je hebt gelijk: Ik ben blij en gelukkig. EN ik weet er wel wat meer van. Ik zal het je vertellen”.
De rivier vertelde op rustige toon: “Ik ontspring aan een bron, een on-uit-puttelijke bron. Mijn eindbestemming is de zee. Ik stroom van de bron naar de zee.”
Het was even stil. Het meisje luisterde aandachtig.
De rivier vervolgde: “Een deel van mijn water komt terecht in een zijweg, een sloot. Daar is de stroming traag en het water heeft geen einddoel.
Een andere deel van het water belandt in een poel waar het verwarmd wordt door de zon. Echter, na een aantal dagen flinke zon droogt de poel op.
Het meisje schrok daar een beetje van, durfde even niets te zeggen en wachtte af wat zou komen.
“Maar, stelde de rivier aan het meisje voor, waarom ga je niet met mij mee? De zee schijnt fantastisch te zijn.”
Daar had het meisje had wel oren naar! Ze zei tegen de rivier: “Ik wil wel met je mee maar ik wil dan nog 1 vraag beantwoord zien: Hoe weet ik dat ik nog op weg ben naar de zee? Hoe weet ik dat ik niet in een sloot ben terecht gekomen of erger, in een poel ben beland?”
“Lief meisje, zei de rivier, op het moment dat je twijfelt of je nog op de goede weg bent, ga dan staan. Ga staan in het midden van het water, spreid je armen iets en VOEL. VOEL of je de stroming er nog is. VOEL of het water nog stroomt.”
“Is de stroming heel licht aanwezig dan kan het zijn dat je in een sloot bent gekomen. Is er slechts warmte en geen stroming, dan ben je vrijwel zeker in de poel beland. Zorg dan dat je mij terug vindt!”
“Maar als je de stroming voelt…… Lief meisje….. als je het nog voelt stromen langs je lichaam…..DAN, dan ben je nog steeds op de goede weg!”
Linda van Hartingsveldt, 18 november 2009
